img-responsive

EUROPEES HOF VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS: BEDRIJFSOPVOLGINGSREGELING NIET IN STRIJD MET HET DISCRIMINATIEVERBOD

Gepubliceerd op 4 juli 2014

In navolging van de Hoge Raad heeft het EHRM op 27 mei 2014 ook geoordeeld dat de bedrijfsopvolgingsregeling, welke is neergelegd in de successiewet, niet discriminatoir is. Het onderscheid tussen het belasten van ondernemingsvermogen en niet-ondernemingsvermogen is volgens het EHRM geen disproportionele maatregel.

De discussie omtrent het al dan niet discriminatoir zijn van de bedrijfsopvolgingsregeling ontstond in 2012 naar aanleiding van een uitspraak van de Rechtbank Breda waarin werd geoordeeld dat de bedrijfsopvolgingsregeling strijdig zou zijn met het discriminatieverbod. Na deze uitspraak werd er massaal bezwaar gemaakt tegen opgelegde aanslagen erf- en schenkbelasting.

De procedure bij het EHRM was aangespannen door de weduwe en de zoon van een man die in juli 2009 was overleden. De verkrijging van de weduwe steeg niet boven haar vrijstelling uit, waardoor zij geen erfbelasting verschuldigd was. De zoon was echter zowel erf- als schenkbelasting verschuldigd, aangezien hij eind 2009 ook een schenking van zijn moeder had ontvangen. Met een beroep op de bedrijfsopvolgingsregeling maakten zij bezwaar tegen de aanslagen erf- en schenkbelasting. Vervolgens spanden zij een procedure aan bij het EHRM met een beroep op het discriminatieverbod.

Het EHRM oordeelde dat de weduwe geen slachtoffer was van schending van mensenrechten, aangezien zij geen erfbelasting hoefde te betalen over de erfenis en als schenker ook geen schenkbelasting verschuldigd was. In het geval van de zoon oordeelde het EHRM onder verwijzing van de uitspraak van de Hoge Raad van 22 november 2013 naar de parlementaire geschiedenis over de bedrijfsopvolgingsregeling, dat deze regeling een legitiem doel nastreeft. De regeling is namelijk bedoeld om de continuïteit van een onderneming niet in gevaar te brengen en het ondernemerschap te stimuleren. Verder oordeelde het EHRM dat de maatregel niet disproportioneel is, aangezien de regeling het doel heeft om problemen bij de bedrijfsopvolging door belastingheffing op te lossen. Deze problemen doen zich niet voor bij vermogensbestanddelen die niet onder de bedrijfsopvolgingsregeling vallen, waardoor het onderscheid gerechtvaardigd is.

Het EHRM verklaarde het beroep kennelijk ongegrond.